B
- Bembé
- Afro-Cubaanse religieuze viering met percussie en zang voor de Orishas. De bijbehorende ritmes vormen een fundament onder veel Cubaanse populaire muziek.
- Bongo
- Klein Afro-Cubaans drum-paar dat tussen de knieën wordt gespeeld. In Son ensembles bepaalt de bongocero de subtielere ritme-accenten.
C
- Casino
- De Cubaanse naam voor wat internationaal Cuban salsa heet. Vernoemd naar de Casino Deportivo in Havana, waar de stijl in de jaren 1950 populair werd.
- Cha-cha-chá
- Cubaans genre uit 1953, ontwikkeld door violist Enrique Jorrín. Herkenbaar aan het cha-cha-chá ritme op de derde tel; ook als aparte dansstijl populair.
- Charanga
- Klassiek Cubaans orkest met fluit, viool, piano, bas en percussie. De charanga-sound is licht en elegant en vormt de basis van veel danzón en cha-cha.
- Clave
- Het ritmische skelet van vrijwel alle Cubaanse muziek. De son-clave (3-2 of 2-3) is een patroon van vijf slagen verdeeld over twee maten. Wie de clave voelt, voelt de muziek.
- Claves
- De twee houten stokjes waarmee het clave-patroon wordt gespeeld. Klein instrument, enorme functie: het houdt het hele ensemble bij elkaar.
- Columbia
- De snelste, meest acrobatische rumba-stijl, oorspronkelijk gedanst door mannen. Solo-dans waarin de danser uitdaagt, met de quinto-drum als gesprekspartner.
- Coro
- Het koor in een Cubaanse band dat de korte, herhalende refreinen zingt waarop de sonero improviseert. Zonder coro geen call-and-response.
D
- Descarga
- Cubaanse jam-sessie. Muzikanten improviseren over een vast ritme; vergelijkbaar met een jazz-jam. Live descargas zijn legendarisch op socials.
- Despelote
- Een Afro-Cubaans solo-momentje binnen Timba waarin partners loslaten en zelfstandig schudden, draaien en spelen met de muziek. Letterlijk “chaos”.
G
- Guaguancó
- Een van de drie hoofdstijlen van rumba. Een speels paar-spel waarin de man via een “vacunao” (symbolisch tikje) probeert te scoren en de vrouw beschermt.
- Guayo
- Metalen rasp die met een stokje wordt bespeeld; Cubaans equivalent van de güiro. Brengt de typische schurende textuur in cha-cha en charanga.
M
- Mambo
- Cubaans genre uit de jaren 1940 dat dankzij Pérez Prado en Tito Puente wereldwijd doorbrak. Ook de naam van het instrumentale “hot” deel midden in een salsa-nummer.
- Maracas
- Schudinstrument gemaakt van uitgeholde kalebassen of hout, gevuld met zaad of kralen. Bepaalt het constante onderliggende patroon in veel ensembles.
- Montuno
- Het tweede, energieke deel van een salsa-nummer waarin de coro herhaalt en de sonero improviseert. Ook: de herhalende, syncopische pianofiguur die hieronder ligt.
P
- Pregón
- Een lied gebaseerd op de roep van een Cubaanse straatventer. Klassiekers als “El Manisero” zijn pregones die zich tot wereldhits ontwikkelden.
R
- Reparto
- Hedendaagse Cubaanse stadsmuziek (na 2010), een fusie van hiphop, dembow en timba. Eigen dansstijl met losse heupen en straat-attitude.
- Rueda de Casino
- Cubaanse groepsdans waarin paren in een cirkel dezelfde figuren tegelijk uitvoeren op aanwijzing van een caller. Partner-wissels horen erbij.
- Rumba
- Afro-Cubaans seculier muziek- en dansgenre met drie hoofdstijlen: Yambú (langzaam), Guaguancó (paar-spel) en Columbia (snel, solo).
S
- Salsa Dura
- Klassieke, “harde” salsa zoals die in de jaren 1970 in New York werd gespeeld door Fania All-Stars. Stevige percussie, scherpe blazers, weinig poespas.
- Son Cubano
- Het oerouder van moderne salsa, ontstaan rond 1900 in Oost-Cuba. Combineert Spaanse melodieën met West-Afrikaanse ritmes. Trager en eleganter dan timba.
- Sonero
- De zanger in een Cubaanse band die improviseert tijdens het montuno-deel. Goede soneros vertellen verhalen, citeren spreekwoorden en spelen met het publiek.
- Songo
- Genre dat in de jaren 1970 werd ontwikkeld door Los Van Van. Een fusie van son, rumba en funk; legde de basis voor timba.
T
- Tembleque
- Een Afro-Cubaanse beweging waarbij de schouders snel trillen of vibreren. Vaak onderdeel van despelote in timba.
- Timba
- Hedendaagse Cubaanse dansmuziek (vanaf jaren 1990) met agressieve breaks, complexe arrangementen en jazz-, funk- en rumba-invloeden. Bands: NG La Banda, Los Van Van, Havana D'Primera.
- Tres
- Cubaans snaarinstrument met drie dubbele snaren. Het tres geeft Son Cubano zijn karakteristieke melodische identiteit.
- Tumbadora (Conga)
- Hoge, smalle Afro-Cubaanse trommel die met de handen wordt bespeeld. De tumbadora levert het tumbao-patroon — de hartslag van Cubaanse percussie.
- Tumbao
- Het syncopische ritmische patroon op de conga of de bas in Cubaanse muziek. Een goede tumbao zorgt dat dansers automatisch hun heupen bewegen.
Y
- Yambú
- De langzaamste en oudste rumba-stijl, ook wel “rumba van de oude mensen”. Gedanst zonder vacunao, met grote nadruk op uitdrukking en houding.
Mis je een term? Laat het ons weten via contact. Voor meer achtergrond, lees de Cuban salsa hub of de pagina over Rueda de Casino.